Meteorologie
home
Meteorologie is de studie van het weer en het klimaat. We noemen meteorologie ook weerkunde. In de luchtvaart wordt meteorologie vaak afgekort tot Meteo.

De atmosfeer die onze aarde omvat wordt dampkring genoemd. De atmosfeer is onderverdeeld in verschillende sferen en pauzes:

De meeste sportvliegtuigen komen niet hoger dan de Troposfeer. In de Troposfeer vinden we het 'weer' zoals we dat dagelijks ervaren. In de Stratosfeer is geen 'weer' hoewel de toppen van onweerswolken in de onderste regionen van de Stratosfeer kunnen doordringen. 

We weten inmiddels dat de luchtdruk wordt uitgedrukt in HectoPascal, afgekort tot hPa. Vroeger werd de luchtdruk gemeten in millibaren, afgekort tot mb. Het omrekenen is makkelijk: 1 mb = 1 hPa. De gemiddelde luchtdruk is 1013 hPa of 1013 mb. Boven de 1013 hPa spreken we van hoge druk. Onder de 1013 hPa spreken we van lage druk.

Lucht heeft een bepaald gewicht. Luchtdruk is het gewicht van een kolom lucht die op het aardoppervlak drukt, gerekend vanaf de top van onze atmosfeer. Luchtdruk wordt gemeten met een barometer. Aan de barometer kunnen we aflezen of de luchtdruk gelijk blijft, stijgt of daalt. Verschillen in luchtdruk lopen altijd van hoog naar laag. Deze verplaatsing van lucht ervaren we als wind. 

Isobaren: Punten van gelijke luchtdruk, op een gelijk tijdsstip en gemeten op zeeniveau kunnen we met elkaar verbinden via lijnen op een weerkaart. Deze 'lijnen van gelijke luchtdruk' noemen we isobaren. Als de isobaren dicht tegen elkaar aan liggen zijn de drukverschillen groot en staat er een sterke wind. Liggen de isobaren ver van elkaar vandaan dan zijn de drukverschillen klein(er) en staat er een zwakke wind. Op de onderstaande illustraties zijn de zwarte lijnen de isobaren. 

sterke wind

zwakke wind

Hoge -en lage drukgebieden: Gebieden met een kern van hoge luchtdruk noemen we hogedrukgebieden. De wind in hogedrukgebieden draait met de klok mee (= ruimende wind) in én om het hogedrukgebied. In de kern van het hogedrukgebied daalt lucht naar beneden en verwaaiert over het aardoppervlak. Toenemende luchtdruk duidt op de nadering of het ontstaan van een hogedrukgebied.

Gebieden met een kern van lage luchtdruk noemen we lagedrukgebieden of depressies. De wind in lagedrukgebieden waait tegen de klok in (= krimpende wind). In de kern van een lagedrukgebied stijgt de lucht op. Afnemende luchtdruk duidt op de nadering of het ontstaan van een lagedrukgebied.

Op naastgelegen illustratie staat een lagedrukgebied met in de kern een luchtdruk van 990 hPa. Naar buiten toe loopt de luchtdruk op. De wind draait tegen de klok in. In het hogedrukgebied is het andersom. In de kern is de luchtdruk hoger (1020 hPa) dan daarbuiten. De wind draait met de klok mee.

In de kern van een hogedrukgebied daalt de lucht naar beneden en verwaaiert over het aardoppervlak.



In de kern van een lagedrukgebied of depressie stijgt de lucht naar boven.

De demo stopt hier. U kunt de gehele Cd-rom 'Vliegen voor beginners' bestellen voor slechts 11 euro inclusief BTW en verzendkosten. Bestellen:  klik hier!

Copyright L. Kuijpers