| Demo meteo | ||||
| home | ||||
|
Deze demo bevat fragmenten van de originele tekst. Onderstaande onderwerpen worden uitgebreid behandeld op de Cd-rom. De atmosfeer die onze aarde omvat wordt dampkring genoemd en is onderverdeeld in 'sferen' en 'pauzes' gebaseerd op het verloop van de temperatuur. In een sfeer stijgt of daalt de temperatuur. De pauze markeert het einde van de stijging of daling. Vanaf het
aardoppervlak is de dampkring te onderscheiden in:
Troposfeer, 0-17 km. Temperatuur neemt af met hoogte
Tropopauze
Stratosfeer, 17-50 km. Temperatuur neemt toe met hoogte
Stratopauze
Mesosfeer, 50-85 km. Temperatuur neemt af met hoogte
Mesopauze Thermosfeer/ionosfeer, 85- 700 km. Temperatuur neemt toe met hoogte Thermopauze/ionopauze
Exosfeer, 700-800 km In de tropopauze bevindt zich de ‘jetstream’ of straalstroom
van sterke winden waar straalvliegtuigen vaak gebruik van maken.
De genoemde hoogten liggen niet vast. Zo ligt de tropopauze op de noord –en zuidpool tussen de 4 en 8 km
hoogte en op de evenaar tussen de 14 en 17 km.
In de Troposfeer vinden we ‘het
weer’ zoals we dat dagelijks ervaren. In de Stratosfeer is geen ‘weer’
hoewel de toppen van onweerswolken in de onderste regionen van de Stratosfeer
kunnen doordringen.
De rotatieas van de aarde staat 23,40 uit het lood ten
opzichte van de baan om de zon. Deze afwijking noemen we inclinatie. Door deze afwijking staan verschillende delen van de aarde naar de
zon gericht, waardoor de seizoenen ontstaan. Als op het noordelijk halfrond de
zomer begint, begint op het zuidelijk halfrond de winter. Dan is het ten zuiden
van de zuidpoolcirkel continu donker en ten noorden van de noordpoolcirkel
continu licht.
De zuid –en noordpoolcirkels liggen op een breedtegraad van 66,50 . Als op het
noordelijk halfrond de winter begint, begint op het zuidelijk halfrond de zomer.
Op het noordelijk halfrond ligt de kreeftskeerkring op 23,50
noorderbreedte en op het zuidelijk halfrond ligt de steenbokskeerkring op 23,50
zuiderbreedte. Meer informatie over de keerkringen vindt u in het hoofdstuk
Navigatie. De zon verwarmt de aarde, die op haar beurt de
warmte uitstraalt naar de troposfeer. De troposfeer wordt dus indirect verwarmd
door de aarde en niet direct door de zon. Dit verklaart waarom de temperatuur in
de troposfeer afneemt met hoogte. De aarde fungeert als een kachel. Hoe verder
(lees; hoger) we van die kachel afstaan, hoe kouder het wordt. Hoe minder vocht de het aardoppervlak bevat, hoe sneller het oppervlak (en dus de lucht erboven) opwarmt. Denk aan de woestijn en de zee. Het zand van de woestijn warmt sneller op dan het water van de zee. Omgekeerd geeft zand warmte ook weer sneller af dan water. Convectie, subsidentie en advectie: Warme lucht boven het oppervlak stijgt op. De druk in warme lucht neemt af en kan daarom opstijgen. Deze verticale verplaatsing noemen we convectie. De druk neemt toe in koude lucht. Dan ontstaat daling van lucht. Dit noemen we subsidentie. Horizontale verplaatsing van bijvoorbeeld warmte, noemen we advectie. De termen 'warme lucht' en 'koude lucht' moeten worden bezien in relatie tot de omgeving waar die 'warme lucht ' of 'koude lucht' zich bevindt. Meestal wordt er bedoeld dat 'warme lucht' relatief warmer is dan de omgevingslucht terwijl absoluut gezien de temperatuur beneden het vriespunt kan liggen. De dagelijkse gang is het verschil in temperatuur tussen nacht en dag. Het verschil in temperatuur tussen dag en nacht is het grootst zonder wind en zonder bewolking. De temperatuur is maximaal rond 15.00 uur en (in de zomer rond 16.00 uur) en minimaal rond één uur na zonsopkomst. De temperatuur zoals we die van het KNMI doorkrijgen, wordt in de schaduw gemeten op 1.5 meter boven de grond.
Condensatie en verdamping:
Dauwpunt: De temperatuur waarbij waterdamp condenseert door afkoeling van de lucht zonder dat vocht wordt toegevoegd of onttrokken noemen we dauwpunt. Op de dauwpuntstemperatuur is de relatieve vochtigheid 100% en is de lucht verzadigd met waterdamp. Hoe dichter de temperatuur en het dauwpunt bij elkaar liggen, hoe vochtiger de lucht. Hoe groter het verschil tussen temperatuur en dauwpunt, hoe droger de lucht. Op het dauwpunt condenseert de aanwezige waterdamp in de lucht en kunnen mist en wolken zich vormen. Het dauwpunt wordt indirect afgemeten via een psychrometer. Een psychrometer is een meetinstrument bestaande uit 2 thermometers. Van de eerste thermometer is het kwik -of alcoholreservoir omhuld met een doek die constant vochtig gehouden wordt; de natte bolthermometer (Eng: Wet Bulb Thermometer). Door verdamping van het water uit de natte doek (bij verdamping wordt warmte aan de omgeving onttrokken) zal de temperatuur vrijwel altijd lager zijn dan van de tweede thermometer die niet omhuld wordt door een natte doek. Uit het verschil tussen een thermometer en een ‘natte bol thermometer’ wordt de dauwpuntstemperatuur en de relatieve vochtigheid afgeleid.
De absolute vochtigheid geeft de hoeveelheid waterdamp per m3 lucht aan. Luchtdruk is de druk die het gewicht van lucht in de atmosfeer op het aardoppervlak uitoefent. De luchtdruk wordt weergegeven in hectopascal (hPa). De gemiddelde luchtdruk is 1013 hPa. Daarboven spreken we van hoge druk. Is de luchtdruk minder dan 1013 hPa dan spreken we van lage druk. | ||||
|
De gratis online demo stopt hier. De
volgende onderwerpen over dit examenvak worden uitgebreid behandeld op de
Cd-rom:
| ||||
|
U kunt de gehele tekst op Cd-rom bestellen via de bestelpagina. | ||||
| copyright L. Kuijpers |